De Rotstuin.

 


Algemeen.

 

Rotstuinen zijn zo oud als de gekende geschiedenis. De noodzaak om te wonen op rotsachtige bodem verplichtte de mens om zich aan te passen aan omstandigheden. Rond zijn huis verbouwde hij voedingsgewassen en verfraaide het geheel met enkele van zijn lievelings planten. De rotstuin was dus geen bijzondere tuin, het was gewoon een tuin als een andere. De planten die niet geschikt waren vergingen gewoon. Trouwens, de meeste mensen waren aangewezen op hun direkte omgeving. Zowel huizen opgetrokken uit gedroogde klei, baksteen of natuursteen  begroeiden spontaan. Zij werden één met de natuur.

Pas rond 1780 ontstond op een toevallige wijze in de Chelsea Physic Garden iets wat geleek op een moderne rotstuin. De Britten verzamelden planten uit hun uitgestrekte rijk en probeerden de oorspronkelijke vindplaatsen na te bootsen met rotspartijen. Enkele macho-figuren uit die tijd lieten in hun uitgestrekte landerijen mini-Matterhorns, -Vesuviussen , -Kilimandjaros en andere bergen aanleggen en zochten een aangepaste beplanting, die in de regel buiten verhouding uitviel.

Omstreeks 1840 zag cementmaker James Pulman brood in de constructie van kunstrotsen. In de toenmalige grote steden werden de tuinen vaak afgeboord met “rotsmuren” waarin varens, klimop en bloeiende planten werden aangebracht. Het Brusselse Restaurant “De Ultieme Halucinatie” is daarvan nog altijd een goed voorbeeld, al zijn de planten nu verdwenen. De nabijgelegen Kruidtuin diende waarschijnlijk als voorbeeld.

Met de opgang van Lourdes werd de tuinen van het Westen overspoeld met grotten, die om beplanting vroegen.

Ten slotte kwam in Duitsland als eerste land in de wereld de sociale wetgeving met de betaalde vakantie. De toerist was geboren en met hem de eerste golf verzamelaars van “alpenplanten”. Deze benaming wordt nog steeds gegeven aan allerhande soorten kleinblijvende planten.

 

Bergplanten.

 

De geschiedenis van de moderne rotstuin begint aan de voet van de berg. Daar vinden we veel organisch materiaal met daarop bossen vol varens. Eenmaal uit het bos vindt men Rhododendron, Erica, Saxifraga, Gentiaan. Wilde Orchis, Krokus, Cyclamen en Edelweiss zijn er ook te vinden. Sempervivum- en Sedumsoorten hebben eveneens een plaatsje veroverd op de lijst.

Het is ongeveer in deze volgorde dat de planten in de rotstuinen werden aangewend.

Uit het Oosten waren reeds tulpen en andere kleinoden ingevoerd.

Waarmee geen rekening werd en wordt gehouden, is de standplaats voor deze planten. Zij komen allen van nature wel voor op ondiepe, arme bodem, doch sommige groeien op kalkrotsen, andere op graniet en in veen. Dat maakt dus een groot verschil in pH-waarde.

Een tweede moeilijkheid is de grootte van de plant. Niet zelden worden alpenplanten veel groter wanneer ze kunnen genieten van het gunstige klimaat in onze streken. Met andere woorden, er bevinden zich heel wat planten bij die enkel phenotypisch, in deze moeilijke omstandigheden, klein blijven.

We kunnen de planten indelen naargelang de eisen die ze stellen aan de bodem.

Zure bodem bestaande uit veen is uitstekend voor:

- Rhododendron (Azalea);

- Gentiaan;

- Cyclamen;

- Orchideeën (met grove uitgeloogde stukken );

- Krokus.

Deze planten hebben nood aan bestendig vocht en een gronddiepte van een twintigtal centimeter.

Heidekruid, Edelweiss, Sedum en Saxifraga verkiezen een doorlatend mengsel van turf en zand met een klein deel compost. Zij verkiezen een gronddiepte van een tiental centimeter.

Sempervivum tenslotte doet het eveneens op dat grondmengsel, doch heeft een uitgesproken hekel aan meststoffen.

Eveneens een bergplant is de Tijm. Er bestaan verscheidene variëteiten gaande van de Citroentijm over de Bonte Tijm tot de gewone Tijm. In principe is het een kruipende plant die zich het best thuis voelt tussen extragrof grind en in nauwe spleten.

Het kenmerkende van al deze alpenplanten is dat zij kussens vormen en de rotspartijen overgroeien.


Een grote groep bodembedekkers vinden we eveneens op de boomgrens. We denken daarbij aan de Pinus mugo en de Juniperus.

 

Andere klein blijvende planten.

 

Zoals gezegt verdienen muurvarens ook een plaatsje in onze rotstuin. In veel gevallen zullen ze trouwens ongenood hun opwachting komen maken tussen de andere planten.

Bosplanten zoals Anemonen (Ranonkelfamilie), Primula’s, Salomonszegels, Bosbessen, Aardbeien en zoveel andere misstaan ook niet. Zij hebben wel een beschutte, half beschaduwde plaats nodig en vragen goede, voedingsrijke humusbodem. Op dat gebied passen ze dus niet bij de alpenplanten.

Lage siergrassen, waartoe ook de verschillende bamboesoorten behoren, kunnen op een sobere manier de zaak vorm geven. Zij bestaan in verschillende vormen en kleuren. Het enige gevaar bij grassen is hun uitbreidingsdrang door wortelstokken en zaad. Deze moet beteugeld worden door de struiken in strikt afgesloten groeikommen te localiseren. Daartoe kunnen we eventueel geperforeerdevijverfolie gebruiken. Zeker bij bamboe is landbouwfolie niet sterk genoeg om het wortelgestel tegen te houden.

De Dianthus heeft zeer veel laagblijvende variëteiten in tal van kleuren. Zij leunen aan bij de bosplanten alhoewel zij wat zwaardere grond verdragen.

Lage bol- en knolgewassen zoals tulpen, irissen, sneeuwklokjes, paaslelies en Alliumsoorten kunnen het voorjaar opfleuren. Na de bloei trekken zij zich bescheiden terug in de grond om plaats te laten voor de andere planten. Zij hebben weinig voeding nodig en passen dus bij het bergplantengamma.

Al deze planten vragen een gronddiepte van een twintigtal centimeter op doorlatend zeil.

Niets verhindert ons plaats te voorzien om potplanten een kans te bieden tijdens de zomermaanden. Hangende fuchsia’s, Osteospernum, Verbena en tal van andere planten. Éénjarige planten gebruiken we liefst als potplant in de rotstuin. Op deze manier moeten we niets vernielen op het einde van de zomer. We gebruiken twee identieke potten: één die in de grond blijft zitten en een tweede met de plant erin. Denk eraan de potten ruim genoeg te nemen zodat er geen watertekort optreed tijdens de warme, droge periodes en bedek de bodem van de vaste pot met een stuk plasticfolie dat dienst doet als onderschaal. Plant de pot recht ook al zit hij op een helling, anders houdt hij geen vocht en vergaat de plant.

Waar we niet zo direct aan denken zijn winterharde cactussen. Er bestaan enkele soorten schijfcactussen ( Opuntia’s) die het helemaal niet moeilijk hebben om de strengste winter bij ons te overleven. Zij vragen enkel een zeer goed gedraineerde grond, een mengsel van grind, zand, potgrond en wat klei. Zij bloeien prachtig geel of rood en kruipen meestal over de grond. Ze intomen is heus niet moeilijk: we breken gewoon de overtollige oren af. We planten ze natuurlijk zodanig dat ze niet het water van  bovenstaande planten vangen.

Onze rotstuin kan ook een heuse kruidentuin worden met Rozemarijn, Salie, Marjolein, Lavendel, Tijm en, waarom niet, een bosje Peterselie.

 

Het aanleggen van een rotstuin.

 

De voorbereiding

het kiezen van de planten.

 

Bovenstaande vaststellingen  geven ons de mogelijkheid bij de aanleg van een rotstuin terdege rekening te houden met de eisen van de planten.

Het is belangrijk dat we een lijst opmaken van de planten die we op het oog hebben en inlichtingen inwinnen welke eisen deze planten stellen. Op deze manier kunnen we doelbewust onze rotspartij uitbouwen.

Concreet komt het erop neer dat we niet zomaar lukraak ergens een grote berg aarde of puin zullen uitkieperen en hem meteen beginnen te beplanten. We zullen moeten zorgen voor een ondiepe bodem door middel van ondoorlaatbaar plastic voor de reeks van de Rhododendron en met een doorlatend grondzeil voor de andere planten. Het is logisch de kleinere planten met de lagere gronddiepte bovenaan te planten op het grondzeil, de hogere planten met grotere gronddiepte onderaan op de plasticfolie.

Indien nodig kunnen we gaten maken in de folie om planten met andere noden direkt in de “goede grond” aan te brengen. We denken hierbij aan varens, leden van de ranonkelfamilie enzovoort. Het is dus aan te bevelen bij de aanleg van de rotstuin daarop vooruit te kijken en in de benedenrand van de heuvel turf en kompost te mengen vooraleer de plastic aan te brengen.


We kunnen de folie laten doorlopen tot in een gracht aan de voet van de heuvel. Deze gracht vullen we daarna op met betonkeitjes, zodat we een gemakkelijk te onderhouden overgang hebben naar het aanpalend gazon.

Bij het beplanten van een berm zullen we op dezelfde manier tewerk gaan. Hier kunnen we het nuttige aan het aangename paren. Steile bermen zullen vroeg of laat wegglijden tenzij er grote, diep bewortelde struiken op staan. Dat is niet altijd de elegantste oplossing.

Door enkele rotsblokken aan te brengen verkleinen we de helling. We zorgen ervoor dat de berm niet de indruk geeft van een trap. Indien we een waterval-effect willen bekomen zullen we eerder waaiervormig moeten werken. In de vrijgekomen ruimten kunnen we rotsplanten aanbrengen.

 

 

 

 

 

 

 

Callebaut Eric.